Beter doen, beter laten, beter onderzoeken
Wat werkt in de jeugdhulp, wat niet, en waar weten we het (nog) niet van? Dit traject verkent hoe kennis, praktijk en ervaring kunnen bijdragen aan blijvend leren en de ontwikkeling van de jeugdhulp. Met betrokkenheid van experts uit de jeugdhulp en de verpleegkundige zorg.
Een gezamenlijke weg
In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat hulp die niet werkt, niet meer wordt ingezet en dat de kennis over de effectiviteit van jeugdhulp wordt vergroot. Die afspraak raakt aan het dagelijks werk in de jeugdhulp: aan de keuzes die professionals maken, samen met jongeren en gezinnen, en aan de manier waarop het veld leert en zich ontwikkelt. In dat kader is het traject Beter doen, beter laten, beter onderzoeken gestart.
Dat roept soms vragen op. Wat bedoelen we met ‘wat werkt’? Voor wie werkt het, en in welke context? En hoe kan zo’n traject bijdragen aan kwaliteit en leren?
Samenwerking
Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd (SBJ) is partner in Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) en trekken samen in dit traject op, juist omdat het traject raakt aan professioneel handelen. Namens de SBJ benadrukt Pim Hoek, stuurgroeplid en bestuurlijk afgevaardigde SBJ voor de Hervormingsagenda Jeugd, dat het traject een tweeledig doel heeft. “We nemen kritisch onder de loep wat wel en niet werkt in de jeugdhulp. En het zorgt ervoor dat we doorlopend blijven leren en onderzoeken of we goede hulp bieden aan jeugdigen.”
Drie onderdelen: doen, laten en onderzoeken
Het traject onderscheidt drie onderdelen:
- Beter doen: hulp waarvan bekend is dat deze effectief is, maar die mogelijk nog onvoldoende wordt toegepast.
- Beter laten: hulp die aantoonbaar niet effectief of zelfs schadelijk is en die daarom niet meer ingezet zou moeten worden.
- Beter onderzoeken: hulp waarvan de effectiviteit nog onvoldoende onderzocht is en waar aanvullend onderzoek nodig is.
Het is daarbij belangrijk dat het traject recht doet aan evidence based practice. Wetenschappelijke kennis, professionele expertise en ervaringskennis van cliënten worden als gelijkwaardige bronnen meegenomen. Juist die combinatie vergroot de waarde van de uitkomsten voor jeugdigen en gezinnen. Ook de SBJ benadrukt dat.
Van verpleegkundige zorg naar jeugdhulp
De benadering beter doen, beter laten is niet nieuw. In de verpleegkundige zorg wordt hier al jaren mee gewerkt. Getty Huisman – de Waal van IQ Health van het Radboud UMC heeft de lijsten ontwikkeld en is projectleider van vele vervolgprojecten. Ze vertelt hoe ervaringen uit de verpleegkundige zorg zijn meegenomen in dit traject.
“In de eerste gesprekken zagen we dat we in verschillende sectoren eigenlijk dezelfde uitdaging kennen,” zegt zij. “We willen allemaal de beste zorg bieden aan cliënten, terwijl we tegelijkertijd te maken hebben met schaarste aan mensen, tijd en middelen.”
Die combinatie maakt het volgens Huisman noodzakelijk om kritisch te kijken naar de hulp die we bieden. “Sommige handelingen doen we omdat we ze altijd al zo doen. We denken dat het goed is, maar bij veel dingen weten we dat eigenlijk niet zeker. Soms laat onderzoek zelfs zien dat iets niet werkt of schadelijk is voor een cliënt.”
Door zorg die aantoonbaar niet werk of schadelijk is niet meer te bieden, ontstaat ruimte om tijd en aandacht te richten op wat wel bijdraagt.
De vertaling naar de jeugdhulp
Lector Inge Bastiaanssen van Avans Hogeschool wijst erop dat de methode niet één‑op‑één kan worden overgenomen, onder andere omdat de jeugdhulp een jonger kennisgebied is. “Veel jeugdhulp is psychosociaal, relationeel en sterk contextafhankelijk. Dat maakt het lastiger om handelingen rechtstreeks uit richtlijnen te halen. Tegelijkertijd weten we al best veel over wat werkt, maar die kennis wordt nog niet overal benut. Ook het gesprek over wat we doen met kennis over wat niet werkt of zelfs schadelijk is, hebben we nog niet goed gevoerd.”
Onderzoek en dialoog
Het traject is belangrijk, maar ook spannend. Hoe zorgen we ervoor dat het meer richting geeft aan professioneel handelen, zonder in te grijpen in de professionele autonomie? En hoe voorkomen dat deze overzichten worden ingezet voor sturing op inkoop of bezuinigingen? Die zorgen zijn herkenbaar uit vergelijkbare trajecten in andere domeinen, onder meer in de verpleegkundige zorg. Ondertussen weten we echter dat de aandacht voor ‘beter laten en beter doen’ bijdraagt aan de professionalisering van het vakgebied, en zien professionals het als een kans de zorg te verbeteren.
Karlijn Stals benadrukt dat dit traject geen snelle besparing gaat opleveren. “Reken je niet rijk. Dit traject kan wel inzicht geven in wat we beter kunnen laten. Uit andere sectoren leren we dat de-implementeren of alternatieven opbouwen tijd, middelen en menskracht vraagt. Het belangrijkste is dat het aanzet tot kwaliteitsverbetering.”
Juist daarom bestaat het traject niet alleen uit analyse van bestaande kwaliteitsstandaarden en kennis, maar wordt het traject vormgeven samen met professionals, aanbieders, jongeren en ouders. In die gesprekken wordt gereflecteerd op de uitkomsten, worden prioriteiten bepaald en wordt gezamenlijk verkend wat de inzichten betekenen voor de praktijk en de verdere implementatie.
Volgens Inge Bastiaanssen is die dialoog onmisbaar. “De uitkomst van dit traject is geen overzicht dat je oplegt. Het kan alleen impact hebben als er voldoende draagvlak is, en dat vraagt om blijvend gesprek jongeren, ouders en professionals.”
Een volgende stap in een lerende beweging
Alle betrokkenen benadrukken dat ‘Beter doen, beter laten, beter onderzoeken’ geen traject is om een afspraak af te vinken. Het is bedoeld als een volgende stap in een duurzame leerbeweging in het hele jeugddomein.
Zoals Karlijn Stals het verwoordt: “Liever een traject dat meerdere keren wordt doorlopen en steeds nieuwe inzichten oplevert, dan een eenmalige uitkomst. Het traject is daarmee vooral bedoeld om het gesprek over kwaliteit, effectiviteit en leren duurzaam gaande te houden samen met het veld.”